Dit blijkt uit de eerste resultaten van een grootschalig onderzoek op Europees niveau naar de cultuur van het Bijbellezen en interpreteren van voor de Reformatie, uitgevoerd door de Rijksuniversiteit Groningen. Volgens Dr. Sabrina Corbellini, die het onderzoek leidt, zijn Bijbels in de volkstaal geen protestantse uitvinding, maar een verschijnsel dat juist de late middeleeuwen gekenmerkt heeft.
Het beeld dat het Woord van God alleen gelezen mocht worden door priesters en pastoors, en dat gewone kerkgangers het met onverstaanbaar Latijns geprevel moesten doen, was volgens Corbellini succesvolle propaganda van de Protestantse hervormingsbeweging. “Luther heeft deze mythe zelf in de wereld geholpen tijdens de vele ‘tafelgesprekken’ die bij hem thuis gehouden werden,” aldus Corbellini.
Laatste pagina uit de eerste gedrukte bijbel uit de Nederlanden. In de laatste zinnen staat te lezen dat de bijbel in het jaar 1477 in Delft gedrukt is, jaren voor Luthers Bijbelvertaling in het Duits. Afbeelding: © Bijbelsdigitaal, Nederlands Bijbelgenootschap
Tot nu toe dachten historici dat als gevolg van een algemeen verbod op het vertalen en verspreiden van de Heilige Schrift het bezit van Bijbels in de volkstaal in de middeleeuwen zeer beperkt was. Ze baseerden zich hierbij vooral op kerkelijke bronnen. Volgens de Groningse onderzoeksgroep geeft dit een onjuist beeld van de historische werkelijkheid.
Corbellini en haar collega’s hebben bewijzen gevonden dat Bijbels in andere talen dan het Latijn gedurende de late middeleeuwen wijdverspreid waren. Bijbels in de volkstaal waren niet alleen in het bezit van koningen en geleerden, maar ook van beroepsgroepen binnen de lagere burgerij. Schoenmakers, kleermakers en kooplieden bezaten volksbijbels. Bezitters en lezers kwamen regelmatig bijeen om de bijbel te lezen, te mediteren of de bijbel uit het hoofd te leren. Er bestond bovendien een levendige commerciële handel in het onderling verkopen en kopiëren van de handschriften.
In de middeleeuwen was geen enkele sprake van een totaal verbod op vertalen en verspreiden van de Bijbel. Het voorschrift dat de Bijbel enkel in het Latijn gelezen mocht worden ontstond pas op het concilie van Trente (1545-1563) toen de Reformatie in Europa al in volle gang was. Voor die tijd waren dit soort verboden lokale verschijnselen, met name in gebieden waar ketterse stromingen actief waren.
In tegenstelling tot het overheersende beeld, werden Bijbels dus al in de volkstaal in Europa geproduceerd en verhandeld lang voordat Maarten Luther in 1517 zijn beroemde 95 stellingen aan de deur van de kathedraal van Wittenberg spijkerde. De verspreiding van volksbijbels verschilde echter wel sterk van regio tot regio. Het meest wijdverspreid waren de Bijbels in verstedelijkte gebieden zoals Noord-Italië, de Nederlanden en Zuidwest-Duitsland. Het succes van de hervormingsbeweging van Maarten Luther zit er volgens Corbellini dan ook niet in dat hij als ‘bijbelbevrijder’ gezien werd. Het is eerder precies andersom: juist doordat zoveel ‘gewone’ mensen de Bijbel al in hun eigen taal lazen, kon Luther’s streven het christendom te hervormen succesvol zijn.